JWB.nl

Actuele jurisprudentie paraat

Jurisprudentie@ctueel

Samenvatting ECLI:NL:HR:2017:216

Archiefnummer:
Jurisprudentie @ctueel 2017-54
Instantie:
HR 10 februari 2017, 15/05286
Onderwerp:
Kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door bestuurder
Artikelen:
Art. 81 lid 1 RO (art. 2:248 lid 1 BW)
Casus:
I.B.A.S. exploiteerde een onderneming die actief was in de rijwielbranche met een fietsverzekering. Deze verzekeringen waren ondergebracht bij WIC. De aandelen WIC zijn volgestort door I.B.A.S. en/of de Bestuurder van I.B.A.S. WIC keerde reeds geruime tijd geen schade meer uit aan I.B.A.S.

Het faillissement van I.B.A.S. is in 2001 uitgesproken, met benoeming van de Curator in het faillissement. De Curator heeft de Bestuurder in rechte betrokken en gevorderd de Bestuurder tot betaling van het faillissementstekort te veroordelen als bedoeld in art 2:248 lid 1 BW.

Zowel de rechtbank als het hof wijzen de vordering van de Curator toe. Het hof oordeelt dat de Bestuurder wist, althans behoorde te begrijpen op basis van de toelichting op de balans bij de jaarrekening in de periode drie jaar voorafgaande aan het faillissement, dat WIC geen schades meer uitbetaalde aan I.B.A.S. Ook komt het hof tot de slotsom dat de Bestuurder tevens feitelijk leiding gaf aan de verzekeringsactiviteiten van WIC. Het hof oordeelt dat de Bestuurder als gevolg daarvan het zelf in de hand had of WIC tot betaling zou overgaan en dat de Bestuurder heeft nagelaten te bewerkstelligen dat WIC alsnog op korte termijn aan haar verplichtingen zou voldoen dan wel dat I.B.A.S. de verzekeringen bij een andere verzekeraar zou onderbrengen. I.B.A.S. heeft in de periode voorafgaande aan het faillissement bijna zestigduizend nieuwe verzekeringspolissen afgesloten op naam van WIC, terwijl de Bestuurder wist althans behoorde te begrijpen dat er door WIC in die periode geen uitkeringen zouden worden gedaan. De omstandigheid dat I.B.A.S. in die periode zelf de schade-uitkeringen heeft uitbetaald aan de verzekerden, doet hieraan niet af, nu, naar de Bestuurder ook heeft aangevoerd, deze betalingen ten koste zijn gegaan van de eigen liquiditeiten van I.B.A.S.

Aan het voorgaande verbindt het hof de conclusie dat sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door de Bestuurder. Het hof oordeelt dat geen redelijk denkend bestuurder onder de gegeven omstandigheden gehandeld zou hebben zoals de Bestuurder heeft gedaan en dat de Bestuurder in het onderhavige geval zijn taak als bestuurder van I.B.A.S. derhalve kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld als bedoeld in artikel 2:248 lid 1 BW. Ten slotte oordeelt het hof dat aannemelijk is dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling van de Bestuurder een belangrijke oorzaak is van het faillissement van I.B.A.S. De Bestuurder heeft dit, aldus het hof, in hoger beroep onvoldoende gemotiveerd bestreden.

Rechtsvraag:
De cassatiemiddelen komen op tegen het oordeel dat de Bestuurder zijn taken als bestuurder van I.B.A.S. kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. Het handelen van de Bestuurder zou niet te kwalificeren zijn als kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 lid 1 BW.

Beslissing:
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de Bestuurder op grond van art. 81 lid 1 RO.
Opties:
Printbare samenvatting
Download complete uitspraak
Terug naar de vorige pagina

Direct zoeken:

Gratis emailservice!

Altijd op de hoogte blijven? Meld je dan direct aan voor de gratis e-mailservice: