JWB.nl

Actuele jurisprudentie paraat

Jurisprudentie@ctueel

Samenvatting ECLI:NL:HR:2017:215

Archiefnummer:
Jurisprudentie @ctueel 2017-55
Instantie:
HR 10 februari 2017, 15/05327
Onderwerp:
bewijsvermoeden onbehoorlijke taakvervulling bestuurder niet ontzenuwd
Artikelen:
Art. 81 lid 1 RO (art. 2:248 lid 2 BW, 2:11 BW, 2:394 BW)
Casus:
Het faillissement van Exiton is uitgesproken, met benoeming van de Curator. De Curator heeft onder meer de Bestuurder van Exiton in rechte betrokken en gevorderd hem tot betaling van het faillissementstekort te veroordelen, nu niet tijdig is voldaan aan de publicatieplicht van art. 2:394 BW, zodat ex. art. 2:248 lid 2 BW het bewijsvermoeden geldt dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Tevens was een door Exiton gedane agio-uitkering ('het agiobesluit') niet verantwoord in het licht van de slechte financiële staat waarin Exiton op dat moment verkeerde en heeft volgens de Curator heeft deze uitkering de vennootschap ernstig benadeeld.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de Bestuurder erin is geslaagd het bewijsvermoeden van art. 2:248 lid 2 BW te ontzenuwen, maar dat op grond van het agiobesluit niettemin sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd met wijziging van gronden. Het hof oordeelt dat het agiobesluit als gevolg waarvan de solvabiliteit van Exiton verslechterde, slecht te rijmen valt met de stelling van de Bestuurder dat hij alles heeft gedaan wat in zijn vermogen lag om de dreigende liquiditeitskrapte af te wenden. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat de Bestuurder er niet in is geslaagd om het in art. 2:248 lid 2 BW genoemde bewijsvermoeden te ontzenuwen. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk weten te maken dat de door hem genoemde andere feiten en omstandigheden, en dus niet zijn onbehoorlijke taakvervulling, een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Tegenover het verwijt dat is nagelaten om tijdig adequate maatregelen te nemen met het oog op de gewijzigde marktomstandigheden, heeft de Bestuurder verder niet aannemelijk gemaakt dat die maatregelen wel naar behoren zijn genomen of dat het achterwege laten van die maatregelen geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert.
Rechtsvraag:
De cassatiemiddelen komen onder meer met motiveringsklachten op tegen de wijze waarop het hof heeft geoordeeld over het weerlegbare bewijsvermoeden van art. 2:248 lid 2 BW
Beslissing:
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de Bestuurder op grond van art. 81 lid 1 RO.
Opties:
Printbare samenvatting
Download complete uitspraak
Terug naar de vorige pagina

Direct zoeken:

Gratis emailservice!

Altijd op de hoogte blijven? Meld je dan direct aan voor de gratis e-mailservice: